Voorbij religie en wetenschap ?

Bovenstaande titel geef ik graag aan reactie van Ger Jonkergouw op NRC-artikel van Ger Groot. Ik vind reactie te mooi om hem alleen als Comment te hebben. Verdient een plaats op de homepage, zichtbaarder op deze Weblog. Vandaar:

Reactie op Ger Groot – “Godsdienst beschermt de mens tegen de pretentie van de wetenschap alles te kunnen verklaren”- NRC Opinie en Debat – 14/15 juni 2008

Door drs. Ger F. Jonkergouw
Sociaal- en Cultuurpsycholoog
17 juni 2008, Valkenburg aan de Geul

Voorbij wetenschap en religie ligt nog een mooi braak terreintje
De filosoof Ger Groot geeft een boeiende en indringende schets van de tegenstelling tussen religie en wetenschap, van het gegeven dat de wetenschap in onze cultuur de religie van de troon van het weten en handelen heeft gestoten, maar dat zij in dat proces gebieden braak heeft laten liggen die buitengewoon relevant zijn voor de collectieve en persoonlijke betekenisverlening. Hij introduceert daarbij voor de wetenschap onhandige termen zoals ‘transcendente werkelijkheid’, ‘genade’ en ‘vertrouwen’ en suggereert dat deze verwijzen naar een niveau van existentiële beleving dat zeer belangrijk is maar evenzeer in het verdoemhoekje van onze geestelijke cultuur is terecht gekomen. Mede hierdoor slagen mensen er niet meer in om een betekenisvolle en subjectieve relatie met de complexe werkelijkheid te ontwikkelen.
In aansluiting op deze interessante filosofische excursie maak ik enkele aanvullende opmerkingen.

Weten en kunnen vragen om snijden en schroeven. Wijsheid vraagt om….?
De hoogste graad van geestelijke ontwikkeling in onze cultuur lijkt te bestaan uit het verwerven van een universitaire graad. Maar de vraag is of het type kennen en kunnen dat daarmee verworven wordt wel geschikt is om ook een ‘hogere’ bijdrage te kunnen leveren aan de diepere vraagstukken van onze tijd? Men leert namelijk om met toenemende waarschijnlijkheid objectieve verbanden te leggen tussen steeds kleinere delen van de werkelijkheid. En dat is ook goed. Men moet het mes van de rationele analyse goed kunnen hanteren om zin van onzin te kunnen onderscheiden. Maar de vraag is of dat vermogen op zich voldoende is om bij te dragen aan de ontwikkeling van zingeving. Met alleen de steeds fijner wordende messen van de analyse schroeven we nog geen inspirerend wereldbeeld in elkaar.
Het is vaak met de nodige ontreddering dat afgestudeerden hun plaats in de samenleving zoeken. Men ervaart dan dat men slechts een deel van de noodzakelijke vermogens heeft ontwikkeld: hoe problemen te ontleden blijkt pas stap één. Hoe een nieuw inzicht in de geanalyseerde deelwerkelijkheid vervolgens weer een plaats te geven in het overkoepelende weten, laat staan hoe een deelinzicht dat ‘algemene’ weten op haar beurt weer beïnvloedt, vraagt niet om nóg meer analyse, maar om het vermogen tot synthetiseren, om het creëren van een betekenisvolle samenhang. Dat vraagt eerder om het vermogen om te dromen en inspirerende verhalen te vertellen, wat overigens totaal iets anders is dan het smart vermarkten van onderzoeksresultaten.
Elk proces van ontwikkeling van het weten dat blijft steken in de brokstukken van de analyse en dat niet ook weer de beweging maakt naar een hernieuwde integratie daarvan zal uiteindelijk ontaarden in een pathologie. De vraag is of voor die kunst van het verbinden evenveel ruimte en aandacht bestaat in onze cultuur van kennisontwikkeling?
Het antwoord is dat dit binnen de wetenschap te weinig gebeurt en dat, vanwege de eenzijdigheid en dominantie van de rationeel wetenschappelijke analyse, een maatschappelijk en cultureel gat is ontstaan.

Één van de rollen van de ‘oude’ religies bestond nu net uit het vermogen om voor de gelovigen de vaak bedreigende en complexe werkelijkheid in een samenhangend verband te zetten. Ze deden daarnaast nog veel meer, maar in ieder geval tilden ze ‘gelovigen’ goedschiks of kwaadschiks op uit een wereld waarin het besef van de in laatste instantie ondoorgrondelijke werkelijkheid én van de vraag naar de plaats van het zelf daarin van een antwoord werden voorzien.
De wetenschap heeft de manier waarop religies de heelheid van de wereld construeerden onderuit gehaald en de speculatieve onjuistheid ervan aangetoond, ondermeer door de onderliggende aannames aan de kaak te stellen: er is geen antropomorf wezen dat uiteindelijk aan de touwtjes trekt. Ze deed dat ook door de mechanismen waarlangs het ‘goddelijke’ zou ingrijpen te fileren: er komt geen redding door engelen en er wordt geen bedreigend kwaad door al dan niet innerlijke duivels ingefluisterd.
Het verlichtingsinstrument bij uitstek -rationele analyse- is daarvoor tot op zeer hoog niveau ontwikkeld en wordt met groot succes toegepast.
Mooi, goed gedaan wetenschap, ga zo door, op uw terrein. Maar wat nu te doen met begrippen als ‘vertrouwen’, barmhartigheid’ en ‘genade’ en met de werelden van het irrationele of van de transcendente beleving, die vragen om synthese, om een meer samenhangend antwoord? Om maar niet te spreken over wijsheid? Hoe werden en worden dat soort analytisch-integrerende, verstehende vermogens verder ontwikkeld? Zijn die vermogens niet te zeer tot braakliggend terrein geworden? En vinden we het vandaag de dag misschien ook dáárom zo ingewikkeld om nog in samenhangen te denken en communiceren. Is de kunst van de betekenisvolle dialoog mede daardoor verworden tot een softe vorm van discussie?

Niet alleen is de religie door de wetenschap van haar voetstuk gehaald en zijn de kerken op die manier van hun machtsbasis losgehaakt, ook de rol van de filosofie is in deze beweging ontworteld, zo niet kalt gesteld, of op zijn minst verworden tot die van een nerd in de wereld van het moderne weten. Toch heeft de oude filosoof Aristoteles een mooi onderscheid aangereikt voor de verschillende soorten van weten, werkelijkheid en waarheid waarover we hier spreken: één daarvan vormt de typische wetenschappelijke kennis (episteme). Verdere vormen van weten en kunnen houden zich op een andere manier bezig met de waarheid: de kunst van het produceren (techne), praktische wijsheid (phronesis), theoretische wijsheid (sophia) en intuïtie, oftewel het vermogen om de grondprincipes of bronnen te begrijpen (nous). Maar, waar en wanneer worden in onze cultuur die verschillende ‘andere’ vormen van de transformatie van het inzicht in de werkelijkheid ontwikkeld, onderwezen en gepraktiseerd?

En wie hebben zich inmiddels genesteld op de opengevallen plaats?
Voor een deel zijn dat de massamedia. Maar, die komende niet verder dan consumenten commercie: ze leveren kortstondige feel-good pseudo-bevrediging voor de behoeften aan zingeving en nauwelijks antwoord op of ondersteuning bij het zoeken naar existentiële en/of diepere en gedeelde betekenis.
Daarnaast zijn er de esoterisch-spirituele New Age bewegingen die in een ongelooflijk bonte stoet met de meest tegenstrijdige aannames over de wereld van het irrationele, grootse uitspraken doen over hoe de werkelijkheid in elkaar grijpt en hoe wij ons geluk kunnen vinden of onze gezondheid kunnen bevorderen. Met andere woorden, er zijn troonpretendenten te over.

Bezinning op nieuwe collectieve zingeving of religieuze cold-turkey?
De vraag is of we nu in een soort religieuze cold turkey afkick-fase van de geschiedenis zijn terecht gekomen, of dat het tijd wordt, zoals Ger Groot lijkt te betogen, om ons ook vanuit een nieuwe niet-religieuze positie bezig te houden met thema’s die door de huidige wetenschap niet bediend (kunnen) worden.
De vervolgvraag is dan of we zitten met een religieus vacuüm in onze cultuur, dat we zachtjes moeten laten inklappen, of dat er actief iets moet gebeuren met het post-religieuze, kaalgeslagen geestelijke landschap waarin veel westerse mensen verloren lijken te lopen?

Het is mijns inziens niet verwonderlijk dat in die zin ook niet-westerse samenlevingen het zo ingewikkeld vinden om zich met de westerse cultuur te verbinden. Als we eens goed kijken, kunnen we die worsteling waarnemen in een mengeling van afgunst en afgrijzen.
Het gaat in het menselijke bestaan ook, maar niet alleen om materiële welvaart. Het ‘afhaken’ van andere culturen komt niet enkel voort uit een veel te traag proces van daadwerkelijk deelgenoot worden aan vrede, welvaart en welzijn. Dat proces ís weliswaar te traag en leidt begrijpelijkerwijs tot gevoelens van uitsluiting, diepe wrevel en hard verzet. De voedingsbodem voor verschillende vormen van Jihad is echter dieper gelegen, is óók, of uiteindelijk wellicht vooral gelegen in het feit dat onze westerse samenleving nauwelijks nog inspiratie biedt aan diegenen in de wereld die op het geestelijke vlak los willen komen van totalitair religieuze machtssystemen. ‘We’ slagen er niet in om ook de diepere verlangens naar zingeving te bedienen met uitdagende perspectieven en praktijken. Dáárin zit ook de toenemende onderlinge verwijdering -lees gebrek aan verbinding- in de wereld opgesloten. Erger nog, we hebben niet eens in de gaten dat het ook om dat soort metafysische behoeften gaat, omdat we zelf het belang van dit gebied niet meer zien en daardoor braak laten liggen.
Wat door andere culturen wordt waargenomen is dat wij steeds meer opgesloten raken in onze materiële eendimensionaliteit, waarin in toenemende mate buitenkant zaken aandacht krijgen middels een focus op inhoudsloos design en gepimpte ego’s.
Wij weten ons geen houding meer te geven rond merkwaardige fenomenen als de ‘ziel’. Wie praat daar buiten tijdens leiderschapscursussen nog over? We zijn nauwelijks meer in staat betekenisvolle, samenhangende én gemeenschappelijke perspectieven te ontwikkelen voor hoe, als individu én als samenleving, om te gaan met onze existentiële complexiteit. In die zin moeten we beslist eens met andere ogen gaan kijken in de spiegel die ons door niet-westerse culturen wordt voorgehouden.

Is dat alles dan de schuld van de wetenschap? Dat is het laatste wat hier wordt betoogd. Je mag het analytische mes niet verwijten dat het fragmenteert en dat het niet in staat is een systeem mooi in elkaar te sleutelen. Het gaat er vooral om niet te wachten totdat het is uitgesneden ….. in de verwachting dat er dan een nieuw zingevend en samenhangend geheel zal gaan ontstaan. Het is niet waarschijnlijk dat dit zal gebeuren. Daar is de wetenschap in laatste instantie ook niet voor bestemd en ingericht. Ook al houdt zij die illusie wel in stand.
Er zijn andere instrumenten en benaderingen nodig. Die gereedschappen (filosofie, metafysica, kunsten, rituelen, etc.) en het vermogen om ze te hanteren voor een gezamenlijk proces van diepere zingeving zijn we in de afgelopen eeuw ‘ergens’ kwijt geraakt. En voor een deel is dat ook niet erg, want misschien moeten we voor het creëren van nieuwe perspectieven wel iets geheel nieuws ontwikkelen. In ieder geval zullen we nieuwe plaatsen en praktijken, liever geen nieuwe kerken, moeten creëren waar we over deze materie met elkaar in en aan de slag gaan.
Er valt het nodige aan te merken op het artikel van het artikel van Ger Groot. Maar, de kracht zit hem mijns inziens in het feit dat hij expliciet en impliciet verwijst naar het bestaan van dit braakliggende terrein in onze cultuur, op het feit dat de wetenschap niet de geëigende instantie is om daarmee aan de slag te gaan, maar dat, alvorens het gebied weer vol te plempen met nieuwe gebouwen, we zouden kunnen beginnen met het omspitten van het oude religieuze land en zo wel eens verrast kunnen raken door de religieusarcheologische vondsten die we dan doen. En we kunnen dan ook merken dat die grond eigenlijk best vruchtbaar is geworden door het verteringsproces van de resten van de oude religieuze planten.
In de afgelopen 30 jaar hebben we die restanten overigens zelf onder de grond gewerkt. Wellicht dat we, de atheïsten van de jaren ’60 en ’70, in de loop van die tijd onszelf ook wat meer hebben kunnen onthechten van een al te letterlijke interpretatie van wat de oude religies ons, vaak met het nodige geweld en gevangen in monotheïstisch assumpties, hebben proberen duidelijk te maken op dit terrein. Waarvoor we overigens nog geen goede nieuwe naam hebben. Heeft iemand een goede suggestie?

In de editie van Opinie en Debat van 14/15 juni fileert Bas Heijne de toenemende roep tot gemeenschappelijkheid en constateert daarbij dat we beland zijn in een negatief gevoel van gemeenschap: “Ik zou wel meer samen willen, maar de ander doet niet mee”.
In het licht van mijn bovenstaande opmerkingen zou het wel eens zo kunnen zijn dat het niet zozeer gaat om een tekort aan gemeenschapszin, of dat we ‘eigenlijk’ ook niet meer ‘samen’ zouden willen. Getuige de wildgroei aan esoterische praktijken en de steeds vaker klinkende publiekelijke, soms zelfs ministerpresidentiële oproep tot ‘met elkaar’, is het verlangen naar diepere zin er zeker wel. Dat verlangen is overigens altijd in een bepaalde mate aanwezig in een cultuur. De vraag is of en hoe het meer kan gaan ontkiemen en zich zo verder ontwikkelt dat het inspirerend-uitdagend gaat bloeien om later vruchten te gaan dragen en minder hilarisch-ontnuchterend gaat werken, zoals nu toch wel vaak het geval is.
Het zou op dit moment wel eens méér kunnen gaan om een in de loop van de tijd gegroeid mentaal/intellectueel tekort aan ‘integraal’ of ‘inclusief’ denken én om een daaraan gerelateerd onvermogen om dat type denken in een zekere gezamenlijk proces te ontwikkelen door het toe te passen op de diepere zijnsvragen van het leven: We hebben wel benen en willen wel lopen, maar weten niet meer hoe te lopen. Of, hoopvoller wellicht. We wilden niet meer lopen zoals vroeger, zijn daarom een tijdje gaan zitten, weten nu nóg niet hoe het anders zou kunnen en leren al struikelend en stotterend onze weg?
In ieder geval is het tijd om weer op te staan!

Misschien kunnen we zo het met zijn duizenden, in oranje kledij samen staan brullen en lopen hossen in de straten van Bern, Wenen of straks Peking, in dat licht óók bezien als een krampachtig onhandige articulatie én als een passievolle manifestatie van het nu nog onderhuidse verlangen naar een toekomstige betekenisvollere gemeenschappelijkheid?
Moeten we het “Hup Holland!” en “Wij Houden van Oranje” dan gaan zien als een opmaat voor een aanstaande ontdekkingstocht naar hernieuwde niet-materialistische collectieve wortels? Mmmh, niet waarschijnlijk. Daarvoor moet er toch écht nog iets anders gebeuren, dunkt me. Maar, de uitdaging daartoe ligt nu weer helder op straat!

Dit vind je misschien ook leuk...

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *